NL – TF02 – Procedure

Wanneer de grootte en de positie van de cyste of pseudocyste bepaald is door endosonografie, moet het instrument in het werkkanaal van de endoscoop gebracht worden via een voerdraad (0,025” of 0,035”).

  • Bij het model van 6 Fr is het mogelijk om de wand van de maag of het duodenum, en de cyste rechtstreeks met de katheter van het instrument te puncteren.
  • Bij het model van 8,5 Fr en 10 Fr moeten de wand van de maag of het duodenum, en de cyste al eerder gepuncteerd zijn met een EUS-naald of een diathermische naald.
  • Indien nodig kunnen vloeistoffen uit de holte worden aangezogen via de zijdelingse Luer-Lock-adapter aan het proximale uiteinde van het apparaat.
  • Verbind nu de actieve draad met de laterale connector en de HF-generator.
  • Zet de elektriciteit aan en verwijd de opening van de maag en de cyste door de metalen tip van het instrument voorzichtig vooruit te duwen.
  • Verwijder de actieve draad en laat het instrument op zijn plaats.
  • Verwijder uiteindelijk het instrument uit het werkkanaal, terwijl de voerdraad op zijn plaats blijft.
  • Gebruik de voerdraad om een stent met dubbele pigtail of metalen in te brengen om de cyste na de cystostomie te ledigen.